Uitspraak rechtszaak betreffende tatoeage beleid RET

Adverschuren23 doorAdverschuren23

Uitspraak rechtszaak betreffende tatoeage beleid RET

Op 18 september heeft de kantonrechter uitspraak gedaan betreffende de zaak welke de VOR had aangespannen tegen de RET betreffende het tatoeage beleid RET.

Helaas is er voor ons een teleurstellende uitslag gekomen en is de RET in het gelijk gesteld door de kantonrechter.

Lees hier onder het volledige vonnis

Vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM In naam van de Koning

zaaknummer: 8202071 CV EXPL 19-51998 uitspraak: 18 september 2020 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam in de zaak van de vereniging Vakorganisatie Onafhankelijk RET-Personeel, gevestigd te Capelle aan den IJssel, eiseres, gemachtigden: mr. J-W. van Geen en mr. M.L. Kruit te Rotterdam, tegen de naamloze vennootschap Rotterdamse Electrische Tram N.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. A.M. Smits te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘VOR’ en ‘RET’ genoemd.

  1. De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van: 

          de dagvaarding met producties van 27 november 2019; 

           de conclusie van antwoord met producties van 4 februari 2020;  de conclusie van repliek met producties van 28 april 2020; 

de conclusie van dupliek met producties van 26 mei 2020; 

           de akte met producties van VOR van 23 juni 2020;

       de akte met één productie van RET van 21 juli 2020.

  • 2. De feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1 RET hanteert voor haar werknemers die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn een tatoeagebeleid. Dit belèid houdt in dat het deze werknemers verboden is hun tatoeages zichtbaar te hebben tijdens de uitvoering van hun dienst in uniform.

2.2 De directeur exploitatie van RET schrijft in een brief in mei 2018:

Beste RET-er, die tevens Buitengewoon Opsporingsambtenaar OV (BOA-OV) is:

Een BOA-OV is in bezoldigde dienst van een openbaarvervoersbedrijf en is belast met de opsporing van strafbare feiten binnen het domein openbaar vervoer. Zoals je weet heb je een titel van opsporingsbevoegdheid ex artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering voor het domein Openbaar Vervoer (IV). Dit maakt datje een functionaris bent die uit hoofde van zijn/haar taak, in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag, in overeenstemming met de geldende rechtsregels en met behulp van de hem daartoe beschikbaar gestelde bevoegdheden en middelen, zorgdraagt voor de opsporing van strafbare feiten alsmede de voorbereiding

 van de eventuele vervolging van deze feiten. Je hebt ook een toekenning van geweldsmiddelen gekregen omdat aangetoond is dat dit wenselijk is voor de uitoefening van je functie en de redelijke verwachting datje bij de uitoefening van je functie met geweld of dreiging met geweld geconfronteerd kan worden.

De RET heeft als doel het realiseren van een perfect georganiseerd en uitgevoerd vervoer in de ervaring van de reiziger. Een optimale reizigersbeleving omvat ook de zichtbare aanwezigheid van BOA-OV. De veiligheid in en rondom het openbaar is van essentieel belang voor de (beleving van) de reiziger. Als RET investeren we in een goed en doelmatig veiligheidsbeleid dat (in ieder geval bij reizigers) moet leiden tot verhoging van het gevoel van sociale veiligheid in stations/haltes en de voertuigen en tot een vermindering van het aantal (gewelds)incidenten binnen het OV.

Jij voertje functie hoofdzakelijk buiten, in het Openbaar Vervoersgebied Van de RET, uit en je hebt dienst ‘in uniform’ of ‘in burger’. Je hebt dagelijks face-to-face reizigerscontact. Het leveren van reizigersservice, het toezichthouden en het (actief) handhaven van de veiligheid in- en rondom het openbaar vervoergebied zijn jouw voornaamste taken. Hierbij controleer je op ongewone activiteiten en verbaliseer je overtreders van wetten en regels conform het domein openbaar vervoer.

Op uitdrukkelijk verzoek van enkele collega’s heb ik op papier gezet wat de (bestaande) afspraak is met betrekking tot het zichtbaar dragen van lichaamsversieringen zoals tatoeages en piercings tijdens de uitoefening van de functie van BOA-OV.

RET is van mening dat een BOA-OV zich tiidens de dienstuitvoering in uniform dient te onthouden van uitingen en/of versieringen die afbreuk (kunnen) doen aan het gezag dat zij uit (dienen te) stralen. Een BOA-OV dient in het belang van het gezag dat hij vertegenwoordigt, zijn eigen veiligheid en neutraliteit bij het uitoefenen van zijn functie in acht te nemen en in het contact met de reiziger een gezaguitstralende, neutrale en veilige houding aan te nemen. Het is ieders eigen verantwoordelijkheid om te zorgen dat bij het  uitvoeren van de dienst in uniform kenmerken zoals tatoeageS en andere lichaamsversieringen niet zichtbaar zijn voor de reizigers/klanten van de RET. Als je dienst hebt in burgerkleding (BK) is het (zichtbaar) tonen van tatoeages wel toegestaan; het is dan immers de bedoeling om zo onopvallend mogelijk op te gaan in de reizende massa.

We gaan ervan uit dat je je bewust bent van de bijzondere positie die je inneemt, je bent immers 24 uur per dag BOA-OV, en je hebt een eigen verantwoordelijkheid in dezen. Mocht je toch nog vragen en/of opmerkingen hebben, neem hierover dan even contact op met je direct leidinggevende.

  • Het geschil

3.1 VOR vordelt:

I voor recht te verklaren dat het door RET gehanteerde tatoeagebeleid niet kan worden uitgevoerd wegens overschrijding van het instructierecht en/of strijd met het goed werkgeverschap en/of inbreuk op (fundamentele) grondrechten;

II nietigverklaring dan wel vernietiging van het door RET gehanteerde tatoeagebeleid wegens strijd met de goede zeden, openbare orde en/of dwingende wetsbepalingen;

III     RET te gebieden alle aan overtreding van het door haar gehanteerde tatoeagebeleid verbonden arbeidsrechtelijke maatregelen en/of sancties ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat RET hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;

IV RET te verbieden arbeidsrechtelijke maatregelen en/of sancties te verbinden aan het niet naleven van het door haar gehanteerde tatoeagebeleid, op straffe van een boete  van € 5.000,00 per overtreding.

3.2 RET voert verweer tegen de vorderingen.

3.3 Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee VOR en RET de vordering en het verweer daartegen (verder) onderbouwen.

4. De beoordeling 

4.1 RET voert aan dat VOR niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, met als voornaamste reden dat VOR onvoldoende geprobeerd heeft het gevorderde door het voeren van overleg met RET te bereiken (artikel 3:305a lid 3 aanhef en onder c BW). De kantonrechter is echter van mening dat ook al zou dit zo Zijn en ook al had VOR meer   overleg moeten plegen, dit gelet op de tegengestelde standpunten van partijen waarschijnlijk niet tot resultaat had geleid. Het is immers een kwestie van ja (het tatoeagebeleid blijft) of nee (dat beleid gaat van tafel). Een middenweg, door overleg te bereiken, lijkt er niet te zijn.

4.2 Voor zover RET nog andere redenen aanvoert om VOR niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, ziet de kantonrechter geen reden daarop in te gaan. Het gaat partijen er in deze zaak immers beide om duidelijkheid te krijgen over het tatoeagebeleid dat RET voert. Niet valt in te zien welk belang RET er bij heeft een oordeel over die vraag te laten stranden bij niet-ontvankelijkheid van VOR. Of dat belang moet zijn dat het beleid dan in het geheel niet wordt getoetst, maar omdat RET, zoals hierna blijkt, in het gelijk wordt gesteld, kan ook dat geen doorslaggevend belang (meer) zijn.

4.3 RET schrijft de BOA-OV’er, of COV’er (Controleur Openbaar Vervoer), kort gezegd voor zijn tatoeages tijdens de uitoefening van Zijn werk in uniform te bedekken. RET heeft in principe het recht dit te bepalen (artikel 7:660 BW). Zij is immers de werkgever en zij bepaalt hoe zij, via haar medewerkers, naar buiten wil treden, hoe terecht of onterecht de medewerker of ieder ander die regel ook vindt. RET hoeft dan ook, om het voorbeeld dat VOR noemt onder nummer 13. van haar conclusie van repliek te gebruiken, bijvOorbeeld niet aan te tonen dat reizigers tatoeages onwenselijk vinden.

4.4 Aan het recht van RET regels aan in dit geval tatoeages (of aan lichaamsversieringen in het algemeen) te stellen zitten echter wel grenzen, bijvoorbeeld, zoals VOR ook stelt, als het voorschrift in strijd is met goed werkgeverschap, de redelijkheid en de billijkheid en/of de fundamentele grondrechten van de werknemer. Of het tatoeagebeleid van RET deze grenzen overschrijdt, moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

4.5 De kantonrechter is van oordeel dat het tatoeagebeleid van RET de onder 4.4 genoemde grenzen niet overschrijdt. RET legt uit dat de COV’er een bijzondere positie heeft doordat hij beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen. Dit vereist, zoals RET terecht opmerkt, een neutrale en professionele uitstraling. De reiziger hoeft slechts de COV’er te zien, een medewerker van in dit geval RET met bepaalde bevoegdheden voor het geval het mis gaat, iemand met autoriteit waartoe de reiziger zich zonder reserves kan wenden. De ‘mens achter de COV’er’, om hem zo maar te noemen, is in de relatie COV’er-reiziger niet van (doorslaggevend) belang en hoeft door de reiziger dus niet gezien te worden. Omdat een tatoeage de persoon van de COV’ei laat zien, een gekozen tatoeage is immers gebaseerd op persoonlijke voorkeuren, waarden of achtergronden van de COV’er, is het niet onredelijk dat RET, met als doel, zoals gezegd: het laten zien van de COV’er, de medewerker vraagt zijn tatoeage bij zijn dienst in uniform te bedekken. In de praktijk zal dit over het algemeen slechts neerkomen op een lange mouw, een extra knoopje dicht of een pleister. Het tast de vrijheid van een medewerker een tatoeage te zetten en in zijn privétijd te tonen dan ook niet wezenlijk aan. Onder nummer 11. van haar akte van 23 juni 2020 haalt VOR in dit verband een COV’er aan die verdrietig is om het beleid omdat hij dan niet zichzelf kan zijn. Dat is nu echter juist de bedoeling: de COV’er moet zich als zodanig laten zien, niet als zichzelf.

  • 4.6 Gelet op de onder 4.5 genoemde bijzondere taak van de COV’er, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van willekeur als RET het beleid niet hanteert voor al haar werknemers. Met het verwijt van VOR dat RET haar beleid niet consequent handhaaft kan de kantonrechter in het kader van de beoordeling van deze zaak niets, al is het maar omdat       een gedegen en uitgebreid overzicht over wanneer wel en wanneer niet werd gehandhaafd ontbreekt, nog los van het feit dat RET deze stelling van VOR betwist.
  • 4.7 De conclusie van het voorgaande is dat RET mag verlangen dat COV’ers hun tatoeages bedekken. Voor toewijzing van de vorderingen van VOR bestaat dan ook geen aanleiding.

4.8 VOR is de in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure. Aan salaris voor de gemachtigde van RET worden hele punten toegekend voor de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek en een half punt voor de akte van 21 juli 2020. Het gaat om een vordering van onbepaalde waarde. De kantonrechter bepaalt de waarde van één punt aan gemachtigdensalaris daarom zelf en wel op € 360,00.

  • 4.9 Dit vonnis wordt zoals RET vordert wat de proceskostenveroordeling betreft ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis, VOR de proceskosten wel alvast aan RET moet betalen.

  • De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van VOR af; 

veroordeelt VOR in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van RET vastgesteld op € 900,00 aan salaris voor de gemachtigde en voor het geval VOR niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis vrijwillig aan deze veroordeling voldoet, begroot op € 120,00 aan nasalaris, te. vermeerderen met betekeningskosten als betekening van dit vonnis plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6: 119 BW vanaf veertien dagen naAlet wijzen van dit vonnis tot aan de dag van de algehele betaling; verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 686

Over de auteur

Adverschuren23

Adverschuren23 administrator

Penningmeester / ledenadministrateur VOR

Je moet inloggen om een reactie te kunnen plaatsen.